The Lawspeaker
04-06-2012, 05:04 PM
De sharia-mythe van de PVV
De PVV maakt zich zorgen over de ‘grootscheepse toepassing’ van de sharia door Nederlandse rechters. Die islamisering van de rechtspraak zou blijken uit onderzoek van de partij, waar de Telegraaf in april al gretig over berichtte. Morgenavond vindt een spoeddebat plaats. Uit onderzoek (zie onderaan) van Sargasso blijkt de claim van de PVV gebakken lucht. Wat is er aan de hand?
In een Telegraaf-artikel van 11 april 2011 luidt PVV-leider Geert Wilders na eigen onderzoek van zijn partij de noodklok (http://www.telegraaf.nl/binnenland/9505904/__Sharia_al_in_Nederland__.html):
,,Ik ben geschokt over het grootscheepse gebruik van islamitisch recht in Nederland. Niet door die zogenaamde shariarechtbanken, die er volgens toenmalig minister Hirsch Ballin niet zijn, maar nota bene door onze eigen rechtbanken.’’
Voor PVV-Kamerlid Joram van Klaveren was het bericht aanleiding om een spoeddebat aan te vragen, dat donderdagavond plaatsvindt.
Over het eigen onderzoek doet de PVV echter zeer schimmig. Het Telegraaf-artikel gaat er niet diep op in en de PVV weigerde het onderzoek vrij te geven. Uiteindelijk heeft de PVV gisteren het onderzoek aan een paar andere Kamerleden verstrekt.Via via hebben wij het ook gekregen.
Of het onderzoek compleet is, is volstrekt onduidelijk, want het blijkt te bestaan uit een analyse van maar acht vonnissen waarop Wilders zijn zware beschuldiging rust. Als je in de database van Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl/) zoekt op de woordcombinatie [nationaliteit]+recht, dan kom je 840 zaken tegen waarin een afweging is gemaakt inzake Turks recht, 605 inzake Marokkaans recht en 676 inzake Somalisch recht. Overigens levert een zoektocht naar de toepassing van het recht van andere landen ook veel hits op: er duiken 4651 Duitse, 2286 Franse, 1956 Poolse en 504 Amerikaanse zaken op.
We zijn benieuwd of de PVV met nog veel meer onderzoeksgegevens komt en zo ja, waarom die niet van tevoren vrijgegeven zijn. We hopen dat de PVV met meer komt, want het geleverde materiaal ondersteunt de grote woorden van Wilders volstrekt niet. Onderaan vindt u een analyse van alle zaken. Eerst een paar algemene opmerkingen en context.
Het onderzoek
Sargasso heeft de acht zaken bestudeerd. Onze conclusie is dat in geen enkel geval sprake is geweest van de toepassing van de sharia door Nederlandse rechters. De rechtsregels uit het land van herkomst worden weliswaar besproken, maar telkenmale gaat het over het officiële recht van dat land en niet om religieus recht. De PVV haalt ook nog een voorbeeld uit Iran aan (zaak 5), maar daarin wordt het Iraanse recht van 1973 besproken, dus nog ruim voor de Islamitische Revolutie. Zonder uitzondering wordt het Nederlands of het internationaal recht gevolgd, wat ook logisch is. Een uitgebreide bespreking van de zaken vindt u onderaan.
De PVV is duidelijk niet op zoek geweest naar feiten. Hoe zit het dan wel? Waarom kijken rechters naar buitenlandse rechtssystemen?
Nederland is geen eiland
Vaak denken we dat een Nederlandse rechter alleen maar Nederlands recht toepast, maar dat is niet zo. De rechter krijgt regelmatig te maken met kwesties die aanknopingspunten hebben met meerdere landen. Bijvoorbeeld als een bedrijf zaken doet met een buitenlandse firma, als iemand een aanrijding krijgt met een Belgische auto, als twee buitenlanders in Nederland willen trouwen of scheiden, of als je een conflict krijgt over je tweede huis in Spanje. Allemaal voorbeelden waarin het niet vanzelfsprekend is dat het Nederlandse recht van toepassing is.
In ons recht bestaat daarom al eeuwenlang een tak die internationaal privaatrecht (http://weblogs.nrc.nl/rechtenbestuur/2008/12/16/uitspraak-19-ook-een-irakese-bruidsschat-moet-je-hier-betalen/) heet, een uitgewerkt systeem van regels waarmee de rechter kan bepalen of hij bevoegd is om over een zaak te oordelen, welk recht in dat geval van toepassing is en of hij buitenlandse vonnissen in Nederland kan erkennen. Om vast te stellen welk recht van toepassing is, kent het internationaal privaatrecht zogenaamde conflictregels. Daarnaast houdt de rechter rekening met internationale verdragen en Europese wetten.
Een voorbeeld: Nederland kent een Wet Conflictenrecht Echtscheiding. Die bepaalt dat in beginsel het gemeenschappelijke nationale recht van toepassing is. Het komt regelmatig voor dat de rechter vaststelt dat het buitenlands recht van toepassing is. Zo zijn er ook conflictregels voor huwelijk, huwelijksvermogensbeheer en afstamming. Soms kunnen zelfs verschillende kwesties in één rechtszaak aan verschillend recht onderworpen zijn. Op een echtscheiding kan het buitenlands recht van toepassing zijn, maar op het verzoek voor alimentatie voor de kinderen het Nederlands recht.
Vragen naar de bekende weg
Dat is geen nieuwe kennis. Medio 2009 beantwoordde toenmalig minister van Justitie Hirsch Ballin ook al Kamervragen hierover van de VVD (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20082009-3162.html) en de PVV (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20082009-3161.html). In zijn beantwoording stipte de minister twee belangrijke punten aan. Het internationaal privaatrecht is op iedereen in gelijke mate van toepassing, dus ongeacht of de personen in kwestie moslim zijn, christen, jood, hindoe of boeddhist.
Bovendien mogen de rechtsfeiten en rechtsbetrekkingen niet in strijd zijn met onze Nederlandse openbare orde. Dat betekent dat de rechter een kindhuwelijk niet zal erkennen in Nederland. En tot slot worden buitenlandse rechtshandelingen alleen erkend wanneer (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-31700-VI-160.html) zij naar het recht van het betreffende land rechtsgeldig, voor zover van toepassing door een bevoegde autoriteit, zijn verricht.
Dat laatste betekent in het internationaal privaatrecht dat het gaat om de harde kern van de Nederlandse rechtsorde, onze fundamentele beginselen en waarden (http://www.forum.nl/res/Actueel/NewsListId/9/NewsItemId/74). Dan gaat het bijvoorbeeld om de gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Kindhuwelijken, verstoting en polygamie bijvoorbeeld zullen op grond van strijdigheid met onze openbare orde niet erkend worden in Nederland.
Via het internationaal privaatrecht krijgen onze rechters in de praktijk dus met buitenlands recht te maken. Omdat veel van onze allochtone burgers uit een moslimland afkomstig zijn, zal het dus vaak gaan om uitspraken die gedaan zijn in een land waar een codificatie van de sharia, vastlegging in formele wetgeving, van kracht is (morgen hier een verhaal over de sharia). Nederlandse rechters hebben dan vooral te maken met het Marokkaans familierecht, dat op het islamitisch familierecht gebaseerd is, voor zover dat althans niet strijdig is met onze rechtsorde. Voor Turkije ligt dat anders, omdat daar geen sprake is van codificatie, formele wetgeving.
Overigens komt het wel steeds vaker voor dat Nederlands recht wordt toegepast op van oorsprong buitenlandse moslims omdat ze (ook) de Nederlandse nationaliteit hebben, of omdat hun band met Nederland door de rechter hechter geacht wordt dan die met hun land van herkomst.
Conclusie
De Nederlandse rechter past Nederlands internationaal privaatrecht toe; Nederlandse regels dus, om te bepalen welk recht hij moet toepassen op een internationale situatie. Op een in Nederland te sluiten huwelijk of uit te spreken echtscheiding, en bij kwesties van huwelijksvermogensrecht of afstamming kan het dus voorkomen dat buitenlands recht van toepassing is. Is dat buitenlands recht in strijd met de openbare orde, dan laat de rechter het – op grond van onze eigen Nederlandse rechtsregels – buiten beschouwing.
Die richtlijn geldt, ongeacht de herkomst van het buitenlandse recht. De rechter handelt hetzelfde, ongeacht of het gaat om een land met een seculiere of Joods-christelijke bevolking, of om een land met een islamitische bevolking. Van belang is dat de rechtsfeiten en –verhoudingen naar het statelijk recht van het betreffende land rechtsgeldig tot stand zijn gekomen.
Uit de door de PVV aangedragen zaken blijkt niet dat Nederlandse rechters shariarecht toepassen bij hun rechtspraak. Wat die uitspraken wel laten zien, is dat onze rechters zich keurig houden aan onze Nederlandse conflictregels. De uitspraken laten ook zien dat wanneer sprake is van strijdigheid met de openbare orde, de rechter het buitenlands recht buiten beschouwing laat en oordeelt op grond van Nederlands recht. En tot slot laten de uitspraken zien dat het buitenlands recht vaak vergelijkbare gronden kent als het Nederlandse recht.
Denk bijvoorbeeld aan huwen op huwelijkse voorwaarden en aan echtscheiding op grond van duurzame ontwrichting. Natuurlijk is het triest voor de Iraanse vrouw (zaak 5) dat zij geen aanspraken kan doen gelden op het huwelijksvermogen. Daartegenover staan echter ook andere voorbeelden, bijvoorbeeld dat van een Irakese vrouw (http://weblogs.nrc.nl/rechtenbestuur/2008/12/16/uitspraak-19-ook-een-irakese-bruidsschat-moet-je-hier-betalen/) die op grond van het Irakees recht na haar echtscheiding alsnog haar bruidschat kan opeisen als vorm van uitgestelde alimentatie. Maar dat soort rechtszaken legt de PVV dan weer niet voor.
Analyse ‘shariazaken’
De PVV heeft acht zaken aangevoerd ter onderbouwing van de claim dat Nederlandse rechtspraak islamiseert. Hieronder bespreken we de zaken:
Zaak 1 Echtscheiding – juli 2001 (LJN-AB2623 (http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=AB2623))
Een tot Nederlander genaturaliseerde man van Marokkaanse afkomst trouwt begin jaren negentig in Marokko. Het huwelijk blijft kinderloos en blijkbaar ook liefdeloos, want de Marokkaanse vrouw keert terug. In Marokko vraagt de vrouw verstoting aan van het huwelijk. Dit is een eenvoudige en laagdrempelige procedure in Marokko om tot een echtscheiding te komen. De man wil daarop, het is 1996, het huwelijk ook voor de Nederlandse wet beëindigen en vraagt de Burgerlijke Stand in zijn gemeente de echtscheiding op te nemen. De ambtenaar weigert en het komt tot een rechtszaak. De zaak komt in 2001 bij de Hoge Raad, nadat de man de zaken telkens won.
De rechter oordeelt dat de verstoting rechtsgeldig is. Daarbij volgt de rechter niet het Marokkaans of islamitisch recht, maar het internationaal recht. De rechter oordeelt dat de echtscheiding rechtsgeldig is onder het Haags Verdrag inzake de erkenning van echtscheidingen en scheidingen van tafel en bed van 1 juni 1970. De eis van de Nederlands-Marokkaanse man is conform dit internationale verdrag. De echtscheiding moet bijgeschreven worden.
Zaak 2 Echtscheiding, alimentatie, huwelijksvermogensregime – februari 2005 (LJN-AS7515 (http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=AS7515))
Een Iraans-Nederlandse man en een Iraans-Nederlandse vrouw zijn volgens de man eerder in Groot-Brittannië volgens Iraans recht gescheiden. De vrouw betwist de legitimiteit van de scheiding en eist een uitspraak van een Nederlandse rechter, alsmede toewijzing van alimentatie en de helft van de boedel. De rechtbank is in eerste aanleg meegegaan met het verweer van de man dat het Iraanse recht van toepassing is in deze zaak.
Het Gerechtshof oordeelt in hoger beroep dat niet het Iraanse recht van toepassing was, maar het Engelse en er derhalve geen rechtsgeldige echtscheiding is uitgesproken. De vrouw wordt daarom in het gelijk gesteld. Op grond van het Nederlands recht spreekt de rechter vervolgens alsnog de echtscheiding uit. Ze krijgt geen alimentatie toegewezen omdat ze geen bewijsstukken voor de noodzaak kan overleggen. Voor de verdeling van de huwelijksgemeenschap is het Iraans recht van toepassing. Het Iraans recht kent geen gemeenschap van goederen, waardoor het verzoek van de vrouw wordt afgewezen. [Merk op dat het Nederlands recht het huwelijk op huwelijkse voorwaarden kent.]
Zaak 3 Echtscheiding – juni 2005 (LJN-AT9946 (http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=AT9946))
Mooie uitspraak in hoger beroep die goed laat zien hoe de Nederlandse rechter toetst aan de Nederlandse openbare orde. Man en vrouw hebben beide de Marokkaanse nationaliteit en zijn gehuwd in Marokko. De man wilde scheiden en stapte naar de Nederlandse rechtbank. In principe is het Marokkaanse recht dan van toepassing omdat je ook getrouwd bent volgens dat recht en je beide die nationaliteit had. Ten tijde van de uitspraak van de rechtbank was het Marokkaanse familierecht zo dat niet slechts één partij naar de rechter kon stappen. Dat is in strijd met de Nederlandse rechtsorde en daarom schoof de rechter in eerste aanleg de Marokkaanse wet opzij en sprak de echtscheiding uit volgens Nederlands recht.
De vrouw ging in hoger beroep. Ondertussen werd het Marokkaanse familierecht gewijzigd en was het wel mogelijk dat één partij naar de rechter stapte. Gevolg: het gerechtshof vonniste dat de echtscheiding conform Marokkaans recht kon worden uitgesproken. Dat is van belang omdat daarmee ook Marokko de uitspraak zal erkennen en daarmee,,hinkende rechtsverhoudingen’’ voorkomen worden.
Zaak 4 Toekenning AOW, polygamie – juli 2006 (LJN-AY5184 (http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=AY5184))
Mooi zaak die duidelijk maakt hoe Nederland omgaat met polygamie.
Marokkaanse vrouw is in 2000 65 jaar geworden en nadien naar Nederland gereisd. Haar echtgenoot is in 1989 overleden. De vrouw is zelf nooit inzake de AOW verzekerd geweest. De vrouw is in beroep gegaan tegen het besluit om haar geen AOW toe te kennen. De rechtbank oordeelt dat de vrouw uit hoofde van de AOW en het oude verdrag inzake Sociale Zekerheid tussen Nederland en Marokko geen recht heeft op AOW. Wel kan de vrouw terecht een beroep doen op het nieuwe verdrag, omdat overgangsbepalingen ontbreken en dat is in strijd met de Algemene wet bestuursrecht; het beroep is gegrond. De vrouw was echter de tweede echtgenote van haar overleden echtgenoot. Het verdrag biedt ingeval van polygamie de eerste echtgenote de mogelijkheid tot vrijwillig bijverzekeren over de jaren dat zij woonachtig is in Marokko en daardoor niet voor AOW verzekerd was. Omdat de vrouw in kwestie echter de tweede echtgenote was, heeft zij die mogelijkheid niet. De rechtbank oordeelt dat de vrouw geen aanspraak kan maken op AOW en handhaaft het eerdere intrekkingsbesluit van de SVB.
Zaak 5 Echtscheidingszaak – juli 2007 (LJN-AZ8421 (http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=AZ8421))
Een Nederlandse vrouw is in 1973 met een Iraanse man getrouwd en heeft daarmee de Iraanse nationaliteit verworven. Het paar is in 2006 gescheiden. De vrouw eist de helft van de boedel op, maar is in eerste aanleg door de rechtbank in het ongelijk gesteld – de vrouw is voor de Iraanse wet getrouwd en de Nederlandse is hier niet van toepassing, omdat het conflictrecht stelt dat het huwelijksvermogensregime beheerst wordt door het interne recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit ten tijde van de huwelijkssluiting, te weten Iraans recht. De vermogensrechtelijke gevolgen daarvan worden niet bestreken door enig verdrag, wel zijn twee bijzondere arresten (Chelouche/Van Leer en Sabah) van toepassing. Het Iraans huwelijksvermogensrecht kent geen gemeenschappelijk vermogen. De rechter wijst het verzoek van de vrouw af. Het Gerechtshof oordeelt in hoger beroep hetzelfde.
De PVV ziet hierin blijkbaar een bevesting dat het Gerechtshof de shariawetgeving volgt. Klein detail: in 1973 had Iran nog geen shariawetgeving. Daarnaast baseert het Hof zijn oordeel op de toepasbaarheid van internationale verdragen.
Deze zaak wordt ook door staatssecretaris Teeven besproken in zijn brief. Hij wijst erop dat het ook in Nederland is toegestaan om door middel van huwelijkse voorwaarden elke gemeenschap van goederen uit te sluiten. Dat in het Iraanse rechtsstelsel wettelijke gemeenschap van goederen ontbreekt, is dus niet in strijd met de Nederlandse openbare orde.
Zaak 6 Echtscheiding, kinderalimentatie, ouderlijk gezag – maart 2009 (LJN-BI0229 (http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BI0229))
Een Marokkaans echtpaar, woonachtig in Nederland, echtpaar wil scheiden. Het paar is in 2001 in Marokko gehuwd en in 2006 gescheiden op grond van duurzame ontwrichting van het huwelijk, in beide gevallen in Marokko onder Marokkaans recht. Op het moment dat het verzoek wordt ingediend wonen beiden in Nederland, de Nederlandse rechter is daarom bevoegd te oordelen. Hij past daarbij conform de conflictregels het Marokkaans recht toe, omdat dat het gemeenschappelijk recht is van het echtpaar. De verzoeningspogingen door de rechtbank hadden geen resultaat. De rechter acht het verzoek tot echtscheiding gegrond.Hij heeft dit nodig om uitspraken te kunnen doen over de andere eisen.
Inzet van de zaak is het huurrecht van de echtelijke woning, de verblijfplaats van de kinderen en het ouderlijk gezag. Daarop is het Nederlands recht van toepassing. De rechter wijst de echtelijke woning toe aan de vrouw. Inzake het ouderlijk gezag en een omgangsregeling stemmen de ouders in met mediation, de rechter houdt het verzoek aan. Hij vonnist dat de kinderen bij de vrouw zullen verblijven en wijst tot slot het kinderalimentatieverzoek af omdat de man onvoldoende middelen heeft (draagkracht).
Deze zaak heeft niets met shariarechtspraak te maken. De rechter constateert alleen dat het Marokkaanse huwelijk daadwerkelijk in een voor Marokko rechtsgeldige scheiding is geëindigd.
Zaak 7 Afstamming – juni 2009 (LJN-BK1042 (http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BK1042))
Dit is een uitspraak die staatssecretaris Teeven noemt in zijn brief aan de Kamer. Teeven stelt:
,,In het Telegraafartikel wordt een zaak genoemd waarin een man met succes het vaderschap van een kind van zijn ex-vrouw ontkende. Ik neem aan dat gedoeld wordt op de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 29 juni 2009, LJN BK1042. In deze zaak had de moeder in Somalië tien dagen voor de echtscheiding werd uitgesproken een kind gekregen. De man die op het moment van de geboorte van het kind nog de echtgenoot van de moeder was, werd als juridische vader op de geboorteakte vermeld. Aangezien de moeder graag wilde dat de biologische vader het kind kon erkennen, verzocht zij de Nederlandse rechter gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van haar ex-echtgenoot. Zij legde daarbij bewijs over waaruit bleek dat haar ex-echtgenoot niet de biologische vader van het kind was. Omdat zowel de man als de vrouw de Somalische nationaliteit bezaten, stelde de rechtbank vast dat op grond van artikel 1 Wca Somalisch recht van toepassing was op de afstamming van het kind. Het Somalische recht bepaalt dat in geval van een overspelig verwekt kind er in beginsel geen familierechtelijke betrekkingen tot stand komen tussen de echtgenoot van de moeder en het kind. De rechtbank oordeelde daarop dat de moeder geen belang had bij haar verzoek om gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap. De rechtbank wees de vrouw erop dat zij, nu haar ex-echtgenoot ten onrechte als vader op de geboorteakte was vermeld, van die akte verbetering kon vragen op grond van artikel 1:24 of 24a BW. Van het in het gelijk stellen van de vader, zoals verwoord in het krantenartikel, was in deze zaak geen sprake.”
Samenvatting: de ex-echtgenoot wil het kind niet erkennen, de vrouw wil dat de biologische vader het kind erkent. Op grond van Somalisch recht had de vrouw al gelijk en kan worden volstaan met een administratieve correctie. Daardoor heeft de vrouw geen belang bij haar verzoek aan de rechter. Na correctie kan de biologische vader het kind erkennen. De biologische vader heeft de Nederlandse nationaliteit, waardoor het kind die na erkenning ook zal krijgen (Nederlands recht).
Zaak 8 Echtscheiding – september 2010 (LJN-BN6767 (http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BN6767))
Zowel man als vrouw hebben de Marokkaanse nationaliteit, de vrouw ook de Nederlandse. Omdat de Marokkaanse nationaliteit gemeenschappelijk is, is conform het conflictrecht het Marokkaans recht is van toepassing. De man eist nu dat een verzoeningspoging conform het Marokkaans recht wordt ondernomen, de rechter geeft de man gelijk. De rechter stelt echter ook dat op de manier waarop die verzoeningspoging ten overstaan van de Nederlandse rechter wordt uitgevoerd, het Nederlands recht van toepassing is: beide partijen kunnen de rechter schriftelijk laten weten wat ze van een verzoening vinden.
Ook deze zaak wordt door Teeven genoemd. Hij stelt dat als verzoening niet mogelijk blijkt te zijn, de rechter echtscheiding op grond van duurzame ontwrichting, dezelfde grond als in het Nederlands recht, zal uitspreken. De toepassing van buitenlands recht vergroot de kans dat de in Nederland uitgesproken echtscheiding ook in het buitenland erkend wordt en voorkomt onnodige dubbele procedures in het buitenland. Bovendien worden hinkende rechtsverhoudingen ermee voorkomen.
Bron: Sargasso (http://sargasso.nl/archief/2011/09/28/de-shariamythe-van-de-pvv/) (28 september 2011)
De PVV maakt zich zorgen over de ‘grootscheepse toepassing’ van de sharia door Nederlandse rechters. Die islamisering van de rechtspraak zou blijken uit onderzoek van de partij, waar de Telegraaf in april al gretig over berichtte. Morgenavond vindt een spoeddebat plaats. Uit onderzoek (zie onderaan) van Sargasso blijkt de claim van de PVV gebakken lucht. Wat is er aan de hand?
In een Telegraaf-artikel van 11 april 2011 luidt PVV-leider Geert Wilders na eigen onderzoek van zijn partij de noodklok (http://www.telegraaf.nl/binnenland/9505904/__Sharia_al_in_Nederland__.html):
,,Ik ben geschokt over het grootscheepse gebruik van islamitisch recht in Nederland. Niet door die zogenaamde shariarechtbanken, die er volgens toenmalig minister Hirsch Ballin niet zijn, maar nota bene door onze eigen rechtbanken.’’
Voor PVV-Kamerlid Joram van Klaveren was het bericht aanleiding om een spoeddebat aan te vragen, dat donderdagavond plaatsvindt.
Over het eigen onderzoek doet de PVV echter zeer schimmig. Het Telegraaf-artikel gaat er niet diep op in en de PVV weigerde het onderzoek vrij te geven. Uiteindelijk heeft de PVV gisteren het onderzoek aan een paar andere Kamerleden verstrekt.Via via hebben wij het ook gekregen.
Of het onderzoek compleet is, is volstrekt onduidelijk, want het blijkt te bestaan uit een analyse van maar acht vonnissen waarop Wilders zijn zware beschuldiging rust. Als je in de database van Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl/) zoekt op de woordcombinatie [nationaliteit]+recht, dan kom je 840 zaken tegen waarin een afweging is gemaakt inzake Turks recht, 605 inzake Marokkaans recht en 676 inzake Somalisch recht. Overigens levert een zoektocht naar de toepassing van het recht van andere landen ook veel hits op: er duiken 4651 Duitse, 2286 Franse, 1956 Poolse en 504 Amerikaanse zaken op.
We zijn benieuwd of de PVV met nog veel meer onderzoeksgegevens komt en zo ja, waarom die niet van tevoren vrijgegeven zijn. We hopen dat de PVV met meer komt, want het geleverde materiaal ondersteunt de grote woorden van Wilders volstrekt niet. Onderaan vindt u een analyse van alle zaken. Eerst een paar algemene opmerkingen en context.
Het onderzoek
Sargasso heeft de acht zaken bestudeerd. Onze conclusie is dat in geen enkel geval sprake is geweest van de toepassing van de sharia door Nederlandse rechters. De rechtsregels uit het land van herkomst worden weliswaar besproken, maar telkenmale gaat het over het officiële recht van dat land en niet om religieus recht. De PVV haalt ook nog een voorbeeld uit Iran aan (zaak 5), maar daarin wordt het Iraanse recht van 1973 besproken, dus nog ruim voor de Islamitische Revolutie. Zonder uitzondering wordt het Nederlands of het internationaal recht gevolgd, wat ook logisch is. Een uitgebreide bespreking van de zaken vindt u onderaan.
De PVV is duidelijk niet op zoek geweest naar feiten. Hoe zit het dan wel? Waarom kijken rechters naar buitenlandse rechtssystemen?
Nederland is geen eiland
Vaak denken we dat een Nederlandse rechter alleen maar Nederlands recht toepast, maar dat is niet zo. De rechter krijgt regelmatig te maken met kwesties die aanknopingspunten hebben met meerdere landen. Bijvoorbeeld als een bedrijf zaken doet met een buitenlandse firma, als iemand een aanrijding krijgt met een Belgische auto, als twee buitenlanders in Nederland willen trouwen of scheiden, of als je een conflict krijgt over je tweede huis in Spanje. Allemaal voorbeelden waarin het niet vanzelfsprekend is dat het Nederlandse recht van toepassing is.
In ons recht bestaat daarom al eeuwenlang een tak die internationaal privaatrecht (http://weblogs.nrc.nl/rechtenbestuur/2008/12/16/uitspraak-19-ook-een-irakese-bruidsschat-moet-je-hier-betalen/) heet, een uitgewerkt systeem van regels waarmee de rechter kan bepalen of hij bevoegd is om over een zaak te oordelen, welk recht in dat geval van toepassing is en of hij buitenlandse vonnissen in Nederland kan erkennen. Om vast te stellen welk recht van toepassing is, kent het internationaal privaatrecht zogenaamde conflictregels. Daarnaast houdt de rechter rekening met internationale verdragen en Europese wetten.
Een voorbeeld: Nederland kent een Wet Conflictenrecht Echtscheiding. Die bepaalt dat in beginsel het gemeenschappelijke nationale recht van toepassing is. Het komt regelmatig voor dat de rechter vaststelt dat het buitenlands recht van toepassing is. Zo zijn er ook conflictregels voor huwelijk, huwelijksvermogensbeheer en afstamming. Soms kunnen zelfs verschillende kwesties in één rechtszaak aan verschillend recht onderworpen zijn. Op een echtscheiding kan het buitenlands recht van toepassing zijn, maar op het verzoek voor alimentatie voor de kinderen het Nederlands recht.
Vragen naar de bekende weg
Dat is geen nieuwe kennis. Medio 2009 beantwoordde toenmalig minister van Justitie Hirsch Ballin ook al Kamervragen hierover van de VVD (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20082009-3162.html) en de PVV (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20082009-3161.html). In zijn beantwoording stipte de minister twee belangrijke punten aan. Het internationaal privaatrecht is op iedereen in gelijke mate van toepassing, dus ongeacht of de personen in kwestie moslim zijn, christen, jood, hindoe of boeddhist.
Bovendien mogen de rechtsfeiten en rechtsbetrekkingen niet in strijd zijn met onze Nederlandse openbare orde. Dat betekent dat de rechter een kindhuwelijk niet zal erkennen in Nederland. En tot slot worden buitenlandse rechtshandelingen alleen erkend wanneer (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-31700-VI-160.html) zij naar het recht van het betreffende land rechtsgeldig, voor zover van toepassing door een bevoegde autoriteit, zijn verricht.
Dat laatste betekent in het internationaal privaatrecht dat het gaat om de harde kern van de Nederlandse rechtsorde, onze fundamentele beginselen en waarden (http://www.forum.nl/res/Actueel/NewsListId/9/NewsItemId/74). Dan gaat het bijvoorbeeld om de gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Kindhuwelijken, verstoting en polygamie bijvoorbeeld zullen op grond van strijdigheid met onze openbare orde niet erkend worden in Nederland.
Via het internationaal privaatrecht krijgen onze rechters in de praktijk dus met buitenlands recht te maken. Omdat veel van onze allochtone burgers uit een moslimland afkomstig zijn, zal het dus vaak gaan om uitspraken die gedaan zijn in een land waar een codificatie van de sharia, vastlegging in formele wetgeving, van kracht is (morgen hier een verhaal over de sharia). Nederlandse rechters hebben dan vooral te maken met het Marokkaans familierecht, dat op het islamitisch familierecht gebaseerd is, voor zover dat althans niet strijdig is met onze rechtsorde. Voor Turkije ligt dat anders, omdat daar geen sprake is van codificatie, formele wetgeving.
Overigens komt het wel steeds vaker voor dat Nederlands recht wordt toegepast op van oorsprong buitenlandse moslims omdat ze (ook) de Nederlandse nationaliteit hebben, of omdat hun band met Nederland door de rechter hechter geacht wordt dan die met hun land van herkomst.
Conclusie
De Nederlandse rechter past Nederlands internationaal privaatrecht toe; Nederlandse regels dus, om te bepalen welk recht hij moet toepassen op een internationale situatie. Op een in Nederland te sluiten huwelijk of uit te spreken echtscheiding, en bij kwesties van huwelijksvermogensrecht of afstamming kan het dus voorkomen dat buitenlands recht van toepassing is. Is dat buitenlands recht in strijd met de openbare orde, dan laat de rechter het – op grond van onze eigen Nederlandse rechtsregels – buiten beschouwing.
Die richtlijn geldt, ongeacht de herkomst van het buitenlandse recht. De rechter handelt hetzelfde, ongeacht of het gaat om een land met een seculiere of Joods-christelijke bevolking, of om een land met een islamitische bevolking. Van belang is dat de rechtsfeiten en –verhoudingen naar het statelijk recht van het betreffende land rechtsgeldig tot stand zijn gekomen.
Uit de door de PVV aangedragen zaken blijkt niet dat Nederlandse rechters shariarecht toepassen bij hun rechtspraak. Wat die uitspraken wel laten zien, is dat onze rechters zich keurig houden aan onze Nederlandse conflictregels. De uitspraken laten ook zien dat wanneer sprake is van strijdigheid met de openbare orde, de rechter het buitenlands recht buiten beschouwing laat en oordeelt op grond van Nederlands recht. En tot slot laten de uitspraken zien dat het buitenlands recht vaak vergelijkbare gronden kent als het Nederlandse recht.
Denk bijvoorbeeld aan huwen op huwelijkse voorwaarden en aan echtscheiding op grond van duurzame ontwrichting. Natuurlijk is het triest voor de Iraanse vrouw (zaak 5) dat zij geen aanspraken kan doen gelden op het huwelijksvermogen. Daartegenover staan echter ook andere voorbeelden, bijvoorbeeld dat van een Irakese vrouw (http://weblogs.nrc.nl/rechtenbestuur/2008/12/16/uitspraak-19-ook-een-irakese-bruidsschat-moet-je-hier-betalen/) die op grond van het Irakees recht na haar echtscheiding alsnog haar bruidschat kan opeisen als vorm van uitgestelde alimentatie. Maar dat soort rechtszaken legt de PVV dan weer niet voor.
Analyse ‘shariazaken’
De PVV heeft acht zaken aangevoerd ter onderbouwing van de claim dat Nederlandse rechtspraak islamiseert. Hieronder bespreken we de zaken:
Zaak 1 Echtscheiding – juli 2001 (LJN-AB2623 (http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=AB2623))
Een tot Nederlander genaturaliseerde man van Marokkaanse afkomst trouwt begin jaren negentig in Marokko. Het huwelijk blijft kinderloos en blijkbaar ook liefdeloos, want de Marokkaanse vrouw keert terug. In Marokko vraagt de vrouw verstoting aan van het huwelijk. Dit is een eenvoudige en laagdrempelige procedure in Marokko om tot een echtscheiding te komen. De man wil daarop, het is 1996, het huwelijk ook voor de Nederlandse wet beëindigen en vraagt de Burgerlijke Stand in zijn gemeente de echtscheiding op te nemen. De ambtenaar weigert en het komt tot een rechtszaak. De zaak komt in 2001 bij de Hoge Raad, nadat de man de zaken telkens won.
De rechter oordeelt dat de verstoting rechtsgeldig is. Daarbij volgt de rechter niet het Marokkaans of islamitisch recht, maar het internationaal recht. De rechter oordeelt dat de echtscheiding rechtsgeldig is onder het Haags Verdrag inzake de erkenning van echtscheidingen en scheidingen van tafel en bed van 1 juni 1970. De eis van de Nederlands-Marokkaanse man is conform dit internationale verdrag. De echtscheiding moet bijgeschreven worden.
Zaak 2 Echtscheiding, alimentatie, huwelijksvermogensregime – februari 2005 (LJN-AS7515 (http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=AS7515))
Een Iraans-Nederlandse man en een Iraans-Nederlandse vrouw zijn volgens de man eerder in Groot-Brittannië volgens Iraans recht gescheiden. De vrouw betwist de legitimiteit van de scheiding en eist een uitspraak van een Nederlandse rechter, alsmede toewijzing van alimentatie en de helft van de boedel. De rechtbank is in eerste aanleg meegegaan met het verweer van de man dat het Iraanse recht van toepassing is in deze zaak.
Het Gerechtshof oordeelt in hoger beroep dat niet het Iraanse recht van toepassing was, maar het Engelse en er derhalve geen rechtsgeldige echtscheiding is uitgesproken. De vrouw wordt daarom in het gelijk gesteld. Op grond van het Nederlands recht spreekt de rechter vervolgens alsnog de echtscheiding uit. Ze krijgt geen alimentatie toegewezen omdat ze geen bewijsstukken voor de noodzaak kan overleggen. Voor de verdeling van de huwelijksgemeenschap is het Iraans recht van toepassing. Het Iraans recht kent geen gemeenschap van goederen, waardoor het verzoek van de vrouw wordt afgewezen. [Merk op dat het Nederlands recht het huwelijk op huwelijkse voorwaarden kent.]
Zaak 3 Echtscheiding – juni 2005 (LJN-AT9946 (http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=AT9946))
Mooie uitspraak in hoger beroep die goed laat zien hoe de Nederlandse rechter toetst aan de Nederlandse openbare orde. Man en vrouw hebben beide de Marokkaanse nationaliteit en zijn gehuwd in Marokko. De man wilde scheiden en stapte naar de Nederlandse rechtbank. In principe is het Marokkaanse recht dan van toepassing omdat je ook getrouwd bent volgens dat recht en je beide die nationaliteit had. Ten tijde van de uitspraak van de rechtbank was het Marokkaanse familierecht zo dat niet slechts één partij naar de rechter kon stappen. Dat is in strijd met de Nederlandse rechtsorde en daarom schoof de rechter in eerste aanleg de Marokkaanse wet opzij en sprak de echtscheiding uit volgens Nederlands recht.
De vrouw ging in hoger beroep. Ondertussen werd het Marokkaanse familierecht gewijzigd en was het wel mogelijk dat één partij naar de rechter stapte. Gevolg: het gerechtshof vonniste dat de echtscheiding conform Marokkaans recht kon worden uitgesproken. Dat is van belang omdat daarmee ook Marokko de uitspraak zal erkennen en daarmee,,hinkende rechtsverhoudingen’’ voorkomen worden.
Zaak 4 Toekenning AOW, polygamie – juli 2006 (LJN-AY5184 (http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=AY5184))
Mooi zaak die duidelijk maakt hoe Nederland omgaat met polygamie.
Marokkaanse vrouw is in 2000 65 jaar geworden en nadien naar Nederland gereisd. Haar echtgenoot is in 1989 overleden. De vrouw is zelf nooit inzake de AOW verzekerd geweest. De vrouw is in beroep gegaan tegen het besluit om haar geen AOW toe te kennen. De rechtbank oordeelt dat de vrouw uit hoofde van de AOW en het oude verdrag inzake Sociale Zekerheid tussen Nederland en Marokko geen recht heeft op AOW. Wel kan de vrouw terecht een beroep doen op het nieuwe verdrag, omdat overgangsbepalingen ontbreken en dat is in strijd met de Algemene wet bestuursrecht; het beroep is gegrond. De vrouw was echter de tweede echtgenote van haar overleden echtgenoot. Het verdrag biedt ingeval van polygamie de eerste echtgenote de mogelijkheid tot vrijwillig bijverzekeren over de jaren dat zij woonachtig is in Marokko en daardoor niet voor AOW verzekerd was. Omdat de vrouw in kwestie echter de tweede echtgenote was, heeft zij die mogelijkheid niet. De rechtbank oordeelt dat de vrouw geen aanspraak kan maken op AOW en handhaaft het eerdere intrekkingsbesluit van de SVB.
Zaak 5 Echtscheidingszaak – juli 2007 (LJN-AZ8421 (http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=AZ8421))
Een Nederlandse vrouw is in 1973 met een Iraanse man getrouwd en heeft daarmee de Iraanse nationaliteit verworven. Het paar is in 2006 gescheiden. De vrouw eist de helft van de boedel op, maar is in eerste aanleg door de rechtbank in het ongelijk gesteld – de vrouw is voor de Iraanse wet getrouwd en de Nederlandse is hier niet van toepassing, omdat het conflictrecht stelt dat het huwelijksvermogensregime beheerst wordt door het interne recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit ten tijde van de huwelijkssluiting, te weten Iraans recht. De vermogensrechtelijke gevolgen daarvan worden niet bestreken door enig verdrag, wel zijn twee bijzondere arresten (Chelouche/Van Leer en Sabah) van toepassing. Het Iraans huwelijksvermogensrecht kent geen gemeenschappelijk vermogen. De rechter wijst het verzoek van de vrouw af. Het Gerechtshof oordeelt in hoger beroep hetzelfde.
De PVV ziet hierin blijkbaar een bevesting dat het Gerechtshof de shariawetgeving volgt. Klein detail: in 1973 had Iran nog geen shariawetgeving. Daarnaast baseert het Hof zijn oordeel op de toepasbaarheid van internationale verdragen.
Deze zaak wordt ook door staatssecretaris Teeven besproken in zijn brief. Hij wijst erop dat het ook in Nederland is toegestaan om door middel van huwelijkse voorwaarden elke gemeenschap van goederen uit te sluiten. Dat in het Iraanse rechtsstelsel wettelijke gemeenschap van goederen ontbreekt, is dus niet in strijd met de Nederlandse openbare orde.
Zaak 6 Echtscheiding, kinderalimentatie, ouderlijk gezag – maart 2009 (LJN-BI0229 (http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BI0229))
Een Marokkaans echtpaar, woonachtig in Nederland, echtpaar wil scheiden. Het paar is in 2001 in Marokko gehuwd en in 2006 gescheiden op grond van duurzame ontwrichting van het huwelijk, in beide gevallen in Marokko onder Marokkaans recht. Op het moment dat het verzoek wordt ingediend wonen beiden in Nederland, de Nederlandse rechter is daarom bevoegd te oordelen. Hij past daarbij conform de conflictregels het Marokkaans recht toe, omdat dat het gemeenschappelijk recht is van het echtpaar. De verzoeningspogingen door de rechtbank hadden geen resultaat. De rechter acht het verzoek tot echtscheiding gegrond.Hij heeft dit nodig om uitspraken te kunnen doen over de andere eisen.
Inzet van de zaak is het huurrecht van de echtelijke woning, de verblijfplaats van de kinderen en het ouderlijk gezag. Daarop is het Nederlands recht van toepassing. De rechter wijst de echtelijke woning toe aan de vrouw. Inzake het ouderlijk gezag en een omgangsregeling stemmen de ouders in met mediation, de rechter houdt het verzoek aan. Hij vonnist dat de kinderen bij de vrouw zullen verblijven en wijst tot slot het kinderalimentatieverzoek af omdat de man onvoldoende middelen heeft (draagkracht).
Deze zaak heeft niets met shariarechtspraak te maken. De rechter constateert alleen dat het Marokkaanse huwelijk daadwerkelijk in een voor Marokko rechtsgeldige scheiding is geëindigd.
Zaak 7 Afstamming – juni 2009 (LJN-BK1042 (http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BK1042))
Dit is een uitspraak die staatssecretaris Teeven noemt in zijn brief aan de Kamer. Teeven stelt:
,,In het Telegraafartikel wordt een zaak genoemd waarin een man met succes het vaderschap van een kind van zijn ex-vrouw ontkende. Ik neem aan dat gedoeld wordt op de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 29 juni 2009, LJN BK1042. In deze zaak had de moeder in Somalië tien dagen voor de echtscheiding werd uitgesproken een kind gekregen. De man die op het moment van de geboorte van het kind nog de echtgenoot van de moeder was, werd als juridische vader op de geboorteakte vermeld. Aangezien de moeder graag wilde dat de biologische vader het kind kon erkennen, verzocht zij de Nederlandse rechter gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van haar ex-echtgenoot. Zij legde daarbij bewijs over waaruit bleek dat haar ex-echtgenoot niet de biologische vader van het kind was. Omdat zowel de man als de vrouw de Somalische nationaliteit bezaten, stelde de rechtbank vast dat op grond van artikel 1 Wca Somalisch recht van toepassing was op de afstamming van het kind. Het Somalische recht bepaalt dat in geval van een overspelig verwekt kind er in beginsel geen familierechtelijke betrekkingen tot stand komen tussen de echtgenoot van de moeder en het kind. De rechtbank oordeelde daarop dat de moeder geen belang had bij haar verzoek om gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap. De rechtbank wees de vrouw erop dat zij, nu haar ex-echtgenoot ten onrechte als vader op de geboorteakte was vermeld, van die akte verbetering kon vragen op grond van artikel 1:24 of 24a BW. Van het in het gelijk stellen van de vader, zoals verwoord in het krantenartikel, was in deze zaak geen sprake.”
Samenvatting: de ex-echtgenoot wil het kind niet erkennen, de vrouw wil dat de biologische vader het kind erkent. Op grond van Somalisch recht had de vrouw al gelijk en kan worden volstaan met een administratieve correctie. Daardoor heeft de vrouw geen belang bij haar verzoek aan de rechter. Na correctie kan de biologische vader het kind erkennen. De biologische vader heeft de Nederlandse nationaliteit, waardoor het kind die na erkenning ook zal krijgen (Nederlands recht).
Zaak 8 Echtscheiding – september 2010 (LJN-BN6767 (http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BN6767))
Zowel man als vrouw hebben de Marokkaanse nationaliteit, de vrouw ook de Nederlandse. Omdat de Marokkaanse nationaliteit gemeenschappelijk is, is conform het conflictrecht het Marokkaans recht is van toepassing. De man eist nu dat een verzoeningspoging conform het Marokkaans recht wordt ondernomen, de rechter geeft de man gelijk. De rechter stelt echter ook dat op de manier waarop die verzoeningspoging ten overstaan van de Nederlandse rechter wordt uitgevoerd, het Nederlands recht van toepassing is: beide partijen kunnen de rechter schriftelijk laten weten wat ze van een verzoening vinden.
Ook deze zaak wordt door Teeven genoemd. Hij stelt dat als verzoening niet mogelijk blijkt te zijn, de rechter echtscheiding op grond van duurzame ontwrichting, dezelfde grond als in het Nederlands recht, zal uitspreken. De toepassing van buitenlands recht vergroot de kans dat de in Nederland uitgesproken echtscheiding ook in het buitenland erkend wordt en voorkomt onnodige dubbele procedures in het buitenland. Bovendien worden hinkende rechtsverhoudingen ermee voorkomen.
Bron: Sargasso (http://sargasso.nl/archief/2011/09/28/de-shariamythe-van-de-pvv/) (28 september 2011)