PDA

View Full Version : Is Europa cultureel schatplichtig aan de islam ?



The Lawspeaker
09-29-2009, 08:01 AM
(Het Vrije Volk (http://www.hetvrijevolk.com/index.php?pagina=8970))

De gedachtenpolitie is ook actief op universiteiten en in het onderwijs. Ons culturele zelfbeeld wordt gelijkgeschakeld in afwachting van verdere islamisering.

Vaak wordt beweerd dat Europa een culturele erfenis heeft te danken heeft aan de Arabieren en de islam. Deze culturele erfenis varieert van de vertaling van de werken van Aristoteles tot het inspireren van de Renaissance van de vijftiende eeuw en het voortbrengen van de moderne wetenschap.
De verkorte en populaire versie van de culturele ontwikkeling van Europa luidt als volgt:

Na de val van het Romeinse Rijk raakte in West-Europa de culturele erfenis van Grieken en Romeinen in verval. De kennis van het Grieks ging verloren. Alleen in kloosters werd af en toe nog een klassieke tekst bestudeerd. In het islamitische oosten werden de Griekse denkers echter uitvoerig bestudeerd, van commentaren voorzien en de kennis doorgegeven en vaak ook uitgebreid. Toen deze Arabische geschriften via Spanje en Sicilië weer in West-Europa kwamen ontstond er een nieuwe belangstelling voor de Griekse beschaving en Aristoteles in het bijzonder. Het waren dus islamitische denkers als Avicenna en Averroës, die de Griekse erfenis hebben bewaard en doorgegeven. Zo heeft de islam een belangrijke bijdrage geleverd aan het ontstaan van de Europese beschaving.

In een leerboek voor de middelbare school kunnen we lezen:

De Arabieren bouwden een indrukwekkende en verfijnde cultuur op. Die behoorde in de 8ste-9de eeuw tot de meest geëvolueerde van haar tijd. Europa was in vergelijking met de Arabische wereld in alle opzichten een barbaarse wereld. (…) De opbloei van de West-Europese cultuur is in belangrijke mate schatplichtig aan de Arabische cultuur.’ (W. Schuermans, Memo-3, Middeleeuwen, p. 64) (link (http://books.google.com/books?id=8Ll_jtQ44N8C&pg=PT67&dq=Europa+schatplichtig+aan+Arabische+wetenschap&hl=nl#v=onepage&q=Europa%20schatplichtig%20aan%20Arabische%20weten schap&f=false))

Deze populaire versie is tamelijk vaag inzake wat we moeten verstaan onder ‘belangrijke bijdrage’ en ‘in belangrijke mate’, zodat het nodig is om wat meer materiaal over dit onderwerp na te slaan:

Wanneer wij de Arabische wetenschap in grote lijnen overzien, doet zij zich hoofdzakelijk voor als een doublure van de Griekse, aangevuld met elementen van Oosterse oorsprong. Haar functie is (…) meer conservatief dan creatief. Maar die conservatieve functie, waarin zij Byzantium in ieder geval overtreft wat den omvang van het bewaarde betreft, is historisch van het allergrootste belang geweest: zij heeft de voornaamste brug gevormd waarover de Griekse wetenschap West-Europa heeft kunnen bereiken en de grote intellectuele opleving die in de 12de en 13de eeuw te zien zullen geven, is dan ook in de allereerste plaats toe te schrijven aan het feit, dat de latijnse christenheid zich zo gretig open heeft gesteld voor de schatten van kennis en wijsheid, die haar uit Arabische bronnen toevloeiden. (Dijksterhuis, De mechanisering van het wereldbeeld, 1950 p. 124).

Deze [Arabische wetenschappelijke literatuur] is de erfgenaam van de klassieke wetenschap; zij heeft vele daarvan te zamen met Oosters geestesgoed op eigen wijze, vaak in dispuut met de oudere joods en christelijke geleerdheid, verwerkt en zij heeft gediend als doorgangshuis van dit alles naar het Westen: sinds de 10de eeuw kwamen geleerden uit Frankrijk en Engeland naar Spanje om hun kennis te vermeerderen. (Prof. Dr. L.O. Schuman, Winkler Prins Encyclopedie, 1971, 2, 312)

De kruistochten ten spijt veroverde de Arabische wetenschap stormenderhand de christenheid. De Arabische wetenschap lag ten grondslag aan de renaissance uit de 12de eeuw, in ieder geval was zij de drijvende kracht erachter. (J. Le Goff, De cultuur van middeleeuws Europa, 1987, p. 184).

De chronologische volgorde van de citaten is met opzet gekozen. De waardering voor de rol van de Arabische wetenschap groeit van ‘de conservatieve functie’ in 1950 naar ‘drijvende kracht van de renaissance’ in 1987. De invloed van de Arabische wetenschap wordt gaandeweg als belangrijker ingeschat. Maar waar komt de motivatie vandaan om Arabische wetenschap als belangrijker in te schatten dan in het verleden het geval was?

Hoe gevoelig deze kwestie inmiddels is geworden, bleek wel toen Gouguenheim (http://fr.wikipedia.org/wiki/Sylvain_Gouguenheim) een nieuwe visie op de overdracht van de Aristotelische erfenis publiceerde.
Sterk verkort komt deze theorie er op neer dat Europa nooit het contact met de Griekse culturele erfenis had verloren en dat nieuwe werken in het Grieks eerder in het Westen in omloop kwamen dan de vertalingen vanuit het Arabisch naar het Latijn. De werken in het Grieks waren in het westen terechtgekomen na de nederlaag van de Byzantijnen bij Manzikert (1071) tegen de Seldsjoeken, terwijl de vertalingen uit het Arabisch pas na 1100 in circulatie kwamen.
Recensies kan men op diverse plekken vinden, zoals hier (http://fr.wikipedia.org/wiki/Aristote_au_Mont-Saint-Michel) en hier. (http://lethiboniste.blogspot.com/2009/07/s-gouguenheim-aristote-au-mont-saint.html)

Het boek van Gouguenheim verscheen in maart 2008 in een betrekkelijk kleine oplage van 4000 stuks maar was snel uitverkocht.
Het werd op 29 april 2008 in de Volkskrant (http://www.volkskrant.nl/archief_gratis/article608217.ece/Hoeveel_kennis_gaven_de_Arabieren_eigenlijk_door_a an_westerlingen) besproken. De reactie van een deel van de wetenschappelijke wereld was furieus. Sommige mediaevisten keerden zich tegen de feiten en de methode van Gouguenheim in het openbaar, terwijl doorgaans de herontdekking van Aristoteles in Europa een onderwerp is voor een klein groepje specialisten. Tenslotte ontbreekt weten we niet precies hoe en welke van zijn werken in Europa zijn verspreid, zijn er maar weinig mensen die zich nog interesseren voor de Griekse geleerde en dan eigenlijk alleen nog maar voor een deel van zijn werken, namelijk die over de logica, bekend onder de naam Organon (http://nl.wikipedia.org/wiki/Organon_%28Aristoteles%29).

De controverse die ontstond rond het boek van Gouguenheim steeg onmiddellijk uit boven de inhoud van het boek.
De eerste recensie (http://www.islamlaicite.org/article891.html) (4 april 2008) van het boek was tamelijk positief en noemt het werk van Gouguenheim ‘een verbazingwekkende rectificatie van de waan van de dag’. De middeleeuwen waren niet zo somber als men vaak veronderstelt en de islam heeft de Griekse erfenis niet zo volledig opgenomen en deze erfenis werd in het westen op een heel andere manier gebruikt dan in de islamitische wereld het geval was geweest.

Het is dan ook bijna zeker een unicum te noemen dat 56 wetenschappers de moeite namen om in Liberation (een centrum-linkse krant (http://en.wikipedia.org/wiki/Lib%25C3%25A9ration) opgericht door Sartre) een artikel te schrijven (maandag 28 april 2008) waarin ze de studie van Gouguenheim op alle mogelijke manieren door het slijk haalden. De titel van het artikel, Oui, l'Occident chrétien est redevable au monde islamique (http://www.liberation.fr/tribune/010179795-oui-l-occident-chretien-est-redevable-au-monde-islamique) (En toch staat het westen in de schuld bij de islamitische wereld), laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Maar het artikel gaat verder dan alleen tegenargumenten aanvoeren. Gouguenheim’s centrale these is namelijk dat de westerse wereld zich hoe dan ook langs dezelfde lijnen zou hebben ontwikkeld, ook zonder de vertalingen van Aristoteles uit het Arabisch (‘aurait suivi un cheminement identique même en l'absence de tout lien avec le monde islamique’).
Zelfs deze hypothetische veronderstelling – we weten immers dat de vertalingen uit het Arabisch een grote verspreiding kenden en dat de commentaren van Averroës enorm invloedrijk waren – was voldoende om de woede van een grote groep wetenschappers over Gouguenheim af te roepen. Zijn boek ging in tegen de bestaande overtuigingen (wetenschap is toch bedoeld om verschillende theorieën te vergelijken?) en steunt op voorgewende ontdekkingen die al ruimschoots bestudeerd waren en een verkeerde lezing van de relaties tussen west en oost, berustend op de populaire publicaties en extreme standpunten op internet (‘S'appuyant sur de prétendues découvertes, connues depuis longtemps, ou fausses, l'auteur propose une relecture fallacieuse des liens entre l'Occident chrétien et le monde islamique, relayée par la grande presse mais aussi par certains sites Internet extrémistes.’)
Volgens de 56 auteurs kan Karel de Grote aan anderen geen opdracht gegeven hebben een gecorrigeerde versie van de Evangeliën op basis van een Griekse tekst te maken, omdat Karel de Grote zelf nauwelijks kon schrijven (‘Charlemagne est crédité d'une correction des évangiles grecs, avant que l'auteur ne rappelle plus loin qu'il sait à peine lire’).

Wat kan 56 historici en filosofen bewogen hebben om een historicus aan te vallen, die ongeveer hetzelfde heeft verwoord als Dijksterhuis in 1950 deed: Europa heeft zich voornamelijk op eigen kracht ontwikkeld en de Arabische vertalingen zijn daarbij behulpzaam geweest, maar niet meer dan dat.

De feiten zijn niet veranderd. De feiten zijn simpel:


Er was in Europa voor 622 al een stevige basis van klassieke cultuur op basis van het Grieks-Romeinse erfgoed.
Ook voor 1100 kwamen er teksten van Griekse denkers, vooral Aristoteles, in West-Europa in het Grieks in omloop.
Vanaf ongeveer 1100 kwamen van dezelfde denkers ook teksten in het Arabisch in West-Europa en deze werden in het Latijn vertaald.

Er zijn voldoende studies beschikbaar van vóór 1967 die aantonen dat er argumenten zijn om de Gouguenheim-these te ondersteunen. Maar de context waarin die feiten worden beleefd, is wel degelijk veranderd.
Europa is politiek niet meer het centrum van de wereld en heeft te maken met een islamitische wereld die vooral na 1967 meer erkenning eist voor de al of niet vermeende bijdrage aan de Europese beschaving.
Diezelfde maandag 28 april gebeurde iets dat het unieke karakter van de affaire-Gouguenheim versterkte. Een groep mensen die dezelfde opleiding had voltooid als Gouguenheim tekende een petitie, waarin men afstand nam van de theorie in het boek (‘ils sont discutable’) en waarin men betoogt dat de affaire (sic!) uitgaat boven het niveau van de wetenschap omdat in het boek bepaalde waardeoordelen geuit worden over de islam. Deze groep oud-studenten stelt zich namens de ENS-LSH (http://www.ens-lsh.fr/30556742/1/fiche___pagelibre/) op, welke één van de meest prestigieuze opleidingsinstituten van Frankrijk vormt, waarvoor van jaarlijks 3000 kandidaten slechts 114 worden toegelaten. De petitie is getekend (http://www.telerama.fr/idees/petition-de-l-ecole-normale-superieure-lettres-et-sciences-humaines,28371.php) door ruim tweehonderd leerlingen en oud-leerlingen, die daarmee hun welwillende houding ten aanzien van islam en multicultuur publiekelijk wilden tonen.
Uiteraard is het hoogst ongebruikelijk dat wetenschappers zich op zo een wijze uiten over een wetenschappelijke theorie. Het is een uitingswijze die doet denken aan het lot dat Galileï, Bruno en Rushdie ten deel viel: publieke verdachtmaking door mensen die wetenschappelijk onderzoek belangrijker zouden moeten vinden dan het behoren tot de groep van bien-pensants (http://fr.wikipedia.org/wiki/Bien-pensance).

Als gevolg van de ophef heeft de directeur van de ENS-LSH waar Gouguenheim sinds vier jaar les geeft, besloten een comité van onderzoek in te stellen, die moet vast stellen in hoeverre de theorie van Gouguenheim wetenschappelijk verantwoord is. In een interview (http://www.lire.fr/entretien.asp/idC=52683/idR=201/idG=6) licht Gouguenheim toe, dat hij niet via de gewoonlijke weg op de ENS is gekomen, maar via een instroom, waardoor hij niet tot de elite behoort. Hij acht het wel mogelijk dat andere sentimenten dan alleen wetenschappelijke ambitie een rol spelen. Omdat er maar een maand was verstreken tussen de publicatie van het boek en de twee petities die tegen Gouguenheim zijn ingebracht, hebben de meeste ondertekenaars waarschijnlijk niet het boek gelezen en zijn hoe dan ook niet echt in staat om het onderwerp op zijn wetenschappelijke achtergrond te beoordelen, omdat ze de kennis van de discipline niet hebben. Sommige ondertekenaars hebben kunstgeschiedenis of germanistiek gestudeerd en weten dus gewoon niet wat ze ondertekend hebben.
In de Figaro (http://www.lefigaro.fr/actualite-france/2008/07/08/01016-20080708ARTFIG00553-l-historien-a-abattre-.php) schreef een journalist:

Cet homme [S. Gouguenheim] n'imaginait pas qu'il y ait encore en France une police de la pensée. (Deze man had nooit gedacht dat er in Frankrijk nog steeds een gedachtenpolitie actief zou zijn).

Net als zovelen heeft Gouguenheim ontdekt dat er in Europa een houding is ontstaan waarin alles wat met islam heeft te maken, wordt opgehemeld of tenminste wordt gevrijwaard van elke kritische beschouwing. De reactie op Gouguenheim is door een historicus (http://www.causeur.fr/le-seuil-d%25E2%2580%2599intolerance,2176) al een heksenjacht genoemd. Op een Belgisch forum werd gesproken van een fatwa (http://groups.google.com/group/soc.culture.belgium/browse_thread/thread/9af7464a0749e81d/08a23b6932f393e6?#08a23b6932f393e6) tegen Gouguenheim.

De affaire-Gouguenheim heeft niets te maken met wetenschap, zeker niet als je bedenkt om wat onderwerp het gaat. Bijna niemand in Europa, laat staan daarbuiten, weet nog wie Aristoteles was en wat hij betekend heeft. Zijn werken komen zelden buiten de muren van de universiteitsbibliotheek. Maar de politieke betekenis is enorm groot en de inzet van die betekenis is niets anders dan het ‘eigendomsrecht’ over Europa. Wie Aristoteles kan claimen, claimt indirect de hele Europese beschaving. Europa heeft immers zijn macht over de wereld gevestigd in de tijd van de Verlichting, die voortkwam uit de Renaissance, die voortkwam uit de herontdekking van de antieke schrijvers rond 1100.

De drijfveer achter deze Kulturkampf is de gedachte dat die cultuur die kan claimen de Griekse erfenis het best bewaard te hebben, moreel gezien een claim heeft op de hele Europese beschaving. Zoals we weten heeft de islam die claim ook op andere manieren onder woorden gebracht.
Een onderdeel van deze campagne is de overweging dat als het publiek gelooft dat islam een bijdrage heeft geleverd aan de Europese cultuur in zijn geheel, het makkelijker wordt om islam als een verlichte en ‘verrijkende’ cultuur te zien en daarmee moslims psychologisch te dwingen zich in overeenstemming met het ideaalbeeld te gedragen. Als moslims zouden afwijken van dit ideaalbeeld, dan wordt de magische band van de cultureel-historische overdracht verbroken.

The Lawspeaker
09-29-2009, 08:03 AM
(Het Vrije Volk (http://www.hetvrijevolk.com/index.php?pagina=8970))

De islam claimt Aristoteles omdat deze denker een centrale rol speelt in de islamitische filosofie en het ontstaan van de Renaissance. De culturele jihad gebruikt de Griekse denkers om het westen te onderwerpen.


Moslims gebruiken het feit dat Arabische vertalingen van Griekse denkers rond 1100 in West-Europa terechtkwamen om aan te tonen hoezeer Europa schatplichtig is aan wat ze omschrijven als de islamitische beschaving. Een artikel dat al enige tijd op internet circuleert onder de naam Islamitische cultuur: de verborgen bijdragen (http://www.redouan.nl/artikelen/art_01.htm) geeft enige voorbeelden van hoe moslims de rol van Arabische wetenschap – die stilzwijgend wordt gelijkgesteld aan islamitische cultuur – beleven. Ik citeer uit de inleiding:

De Islam heeft met name de weg vrijgemaakt voor de Renaissance in Europa. (…) Europa is de islamitische beschavingen heel wat verschuldigd op het gebied van wetenschappen en met name als het gaat om de wetenschappelijke houding van "meten is weten" die door de moslims ontwikkeld werd. De Grieken waren met name bezig met systematiseren, generaliseren en theoretiseren, terwijl de moslims nieuwe methoden ontwikkelden die gebruikt werden voor onderzoek, experimenten, waarnemingen en nieuwe ontwikkelingen. Dat alles vormt de basis van de wetenschappelijke methodieken zoals die vandaag de dag nog steeds worden gebruikt. (onderstreping door mij toegevoegd, E.N.)

De auteur poneert hier een nogal omvangrijke claim. Let op zijn barokke taalgebruik: de islamitische beschaving is plotseling meervoudig geworden. De auteur meent kennelijk dat niet alleen het Arabische eenheidsrijk zoals dat van 632 tot ongeveer 900 bestond een bijdrage heeft geleverd, maar ook de latere deelrijken. Naast deze claim (1) poneert de auteur nog twee andere: de moslims conserveerden niet alleen de Griekse erfenis, maar voegden daar op tal van gebieden eigen bijdragen aan toe (claim 2), zodanig dat daarmee de basis voor de moderne wetenschap werd gelegd (claim 3).

Arabische wetenschap wordt zo genoemd omdat ze in de Arabische taal een groot verspreidingsgebied had en in die taal opnieuw in Europa kwam. Het woord ‘Arabisch’ betekent niet dat deze wetenschap afkomstig zou zijn uit Arabië (waar men tot 700 nauwelijks schrift gebruikte) of dat ze hoofdzakelijk of geheel door Arabieren beoefend werd.
De term Arabische wetenschap wordt uitsluitend gehanteerd om de teksten aan te duiden die vanuit het Arabisch in het Latijn werden vertaald vanaf ongeveer 1100 in West-Europa.

Als de auteur van de tekst ‘De verborgen bijdragen’ de traditionele Arabische wetenschap gelijkstelt aan ‘islamitische beschaving(en)’ dan is dat echter meer dan alleen een verwarring die uit taalgebruik voortkomt. Het is een claim die gedaan wordt vanuit een bepaald soort islamisering: het claimen van wetenschap als een activiteit die voortkomt uit islam, werkt statusverhogend. Het verhoogt de status van de koran naar dat van wetenschap, waarvan de moslims weten dat het westen haar wereldwijde hegemonie aan dankt. Daarnaast eisen sommige moslims de wetenschap op als een ‘islamitische cultuuruiting’. De eerste verspreider van deze gedachte was Jamal al-Din al-Afghani (http://nl.wikipedia.org/wiki/Jamal_al-Din_al-Afghani), die rond 1870 de islamisering een nieuwe impuls gaf door een pan-islamitisch en salafistisch kader te geven.

De redeneerwijze van Afghani was als volgt: als wetenschap de Europeanen een macht geeft die de moslims niet kunnen weerstaan, dan moet deze macht van god komen en moet zij in essentie goed zijn. Dat betekent bovendien dat zij niet direct voortkomt uit de leefwijze en overtuigingen van Europeanen en dat ze zonder bezwaar kan worden overgenomen door moslims, maar dan uiteraard op een islamitische wijze (bron (http://www.cis-ca.org/voices/a/afghni.htm)). Afghani constateerde dat de Europeanen militair en technisch een grote voorsprong hadden verkregen op de islamitische landen en zocht naar een verklaring daarvoor. Moslims kennen maar één referentiekader voor het leven en dat is islam. Godsdienst, en dus islam, is een symbolische wereld, die verklaringen moet voortbrengen voor gebeurtenissen in de echte wereld. Afghani zocht een verklaring voor de hegemonie van Europa binnen het symbolische kader van de islam. Als de techniek van de Europeanen buiten dit kader was gevallen, dan zouden moslims er geen gebruik van mogen maken en dit zou kunnen betekenen dat moslims geheel onderworpen zouden worden door de Europese machten.
Dit idee was uiteraard onaanvaardbaar voor Afghani en zijn tijdgenoten, zodat het niet anders kon zijn dan dat de moderne techniek en wetenschap ‘eigenlijk’ voortbrengselen waren van god, dus van islam en dus van de moslims. Om te verklaren hoe de deze kennis in Europa terecht gekomen was, werd een bekend feit opgediept. De moslims hadden vanaf ongeveer 1100 hun kennis met christenen ‘gedeeld’ door vertalingen van Griekse teksten mogelijk te maken. Het is deze Arabische wetenschap, ofwel islamitische kennis, die het mogelijk maakte dat de Europeanen de moslims onderwierpen.

Deze theorie is natuurlijk zeer strelend voor het ego van de moslims, maar klopt niet met de feiten. De tegenslagen voor de moslims begonnen immers al rond 730 met de nederlagen tegen de Franken en de Byzantijnen, met het verlies van delen van Andalus, met invasies in Tunesië door de Noormannen vanuit Italië (rond 1050) en het verlies van gebieden als Kreta, Cyprus en Aleppo rond 960. Dus lang voor dat de Arabische teksten in het westen kwamen.
Verder kan deze theorie niet verklaren waarom de moslims er niet in slaagden om het initiatief weer over te nemen, omdat maar een klein deel van de Arabische wetenschap in het westen kwam en de islamitische landen dus nog steeds over veel meer kennis beschikten dan in het westen het geval was.

Deze islamitische visie als zou moderne wetenschap eigenlijk islamitisch van karakter zijn, roept voor de meeste westerlingen waarschijnlijk het beeld van een paradox op, maar in de islamitische wereld is deze denksprong een middel om de islam te behouden als een ideaalbeeld en tegelijkertijd de macht op het christelijke westen terug te veroveren door zich de techniek die daarvoor nodig is, althans in gedachten, toe te eigenen. Het is een vorm van culturele jihad. Het is een redeneermethode om de moslim een psychologisch overwicht te geven over elke andere cultuur, omdat de islam altijd de originele bron claimt te zijn.

Want het gaat om dit laatste: het heroveren van de macht die uitging van islam in de achtste eeuw. Macht vormt een obsessie voor moslims omdat het betekent dat de gunst van god aan hun kant staat. Als dienaar van god is de moslim afhankelijk van diens macht. Indien de macht in deze aardse wereld aan de kant van ongelovigen staat, betekent dit voor de vrome moslim niets anders dan dat god ontstemd is over de moslim en ongelovigen de kracht geeft om macht te hebben over de gelovigen. In de symbolische wereld van de moslim is immers elke gebeurtenis een uitdrukking van de macht van god. De macht van de ongelovigen kan in dit kader alleen een symbolische uitdrukking krijgen, binnen de relatie tussen god en de gelovige. Uiteraard is dit een vorm van magisch denken en een vorm van foute attributie, namelijk van gebeurtenissen in de werkelijke wereld naar gebeurtenissen op het psychologische niveau.

Dat deze denklijn, ontwikkeld door Al-Afghani, tot op heden springlevend is en veel aanhangers kent, blijkt uit de rede die de bekende wetenschapper Seyyid Hossein Nasr (http://en.wikipedia.org/wiki/Hossein_Nasr) hield (rond 1980) met de veelzeggende titel: Islam and modern science (http://msa.mit.edu/archives/nasrspeech1.html). De lezing is buitengewoon interessant door tenminste twee elementen. Ten eerste, legt Nasr uit welke drie posities ten aanzien van moderne wetenschap dominant zijn in de islamitische samenleving en waarom.
De eerste positie is die van Al-Afghani: moderne wetenschap heeft geen filosofische gevolgen, dus moslims kunnen die zonder meer overnemen.
De tweede positie houdt in dat moderne techniek overgenomen kan worden indien moslims goed voorbereid zijn door onderricht in islamitische ethiek. Moderne techniek wordt daardoor islamitische techniek.
De derde positie houdt in dat wetenschap niet los gezien kan worden van een wereldbeeld. Dit wereldbeeld ontstond in Europa.
Hiermee komt Nasr vanzelf op het tweede kernpunt van zijn lezing, hij legt uit waarom de meeste moslims hun wereldbeeld zo moeilijk kunnen verenigen met moderne wetenschap.

If you are a physics student and you ask the question, `what is the force of gravitation?', the teacher will tell you the formula, but as to what is the nature of this force, he will tell you it is not a subject for physics. (…)

There is no way of establishing an Islamic science without knowing Western science well. To talk of circumventing what the West has learnt is absurd. But then the next step that has to be taken on the basis of Islamic world view and the view of nature. (…) The Islamic world wants to pull its own weight, wants to find its own identity and therefore this problem is going to be acute. (…) The problem of the partition of science from Islam is a problem that exists unless Islam is willing to give up its claim to being a total way of life.

Nasr geeft hier openlijk toe dat moderne wetenschap en islam praktisch onverenigbaar zijn. Laplace zei tegen Napoleon (http://mathematicianspictures.com/Mathematicians/Laplace.htm) dat hij god niet nodig had voor zijn theorie, maar voor moslims is een dergelijk standpunt uiterst moeilijk aanvaardbaar.

Nasr raakt met zijn betoog aan het kernpunt van alle moslims: eenheid tussen god en de wereld, bekend als de tawhid (http://nl.wikipedia.org/wiki/Tawhid), moet gehandhaafd blijven als het centrale geloofsstuk van de islam.
Dit maakt het noodzakelijk te veronderstellen dat moderne wetenschap verenigbaar is met islamitische samenleving en dat het niet een typisch product is van het westerse materialistische wereldbeeld, zoals Nasr hierboven uitegt als ‘de derde positie’. Deze derde positie is onaanvaardbaar voor moslims omdat ze materialisme inhoudt, ofwel het twijfelen aan de tawhid en de almacht van god over de schepping. Een dergelijke positie staat praktisch gelijk aan kufr (http://www.geocities.com/athens/parthenon/2204/hoofdstuk1.html), geloofsafval.
Omdat historisch gezien moderne wetenschap in Europa is ontstaan, en dit ontstaan ongeveer samenvalt met de komst van het nieuwe Aristotelische corpus teksten, wordt de conclusie getrokken dat deze twee verschijnselen met elkaar samen hangen. Ergo hoc, propter hoc. (http://nl.wikipedia.org/wiki/Post_hoc_ergo_propter_hoc)

De claim op moderne wetenschap maakt de claim op Aristoteles dus noodzakelijk, hoewel de logica voor die koppeling vanuit de westerse cultuurbeschouwing op zijn best nogal dun is.

Indien aangetoond kan worden dat


de claim van islam op Aristoteles op niets berust;
dat moderne wetenschap meer berust op denkers als Descartes en Newton op basis van materialistisch denken (hoewel islamitische schrijvers graag aantonen dat deze onderzoekers vrome christenen waren), dan op basis van Aristoteles

dan vervalt de claim van islam op moderne wetenschap. Want denkers als Avicenna en Averroës zijn niet verder gegaan dan het verfijnen en uitwerken de erfenis van Aristoteles.

Als moderne wetenschap voortgebracht is door de westerse geest, dan heeft islam niet de gunst van god. De hele argumentstructuur tot en met het wereldkalifaat stort dan als een kaartenhuis ineen.

Word vervolgd.

The Lawspeaker
10-27-2009, 07:57 AM
(Het Vrije Volk (http://www.hetvrijevolk.com/index.php?pagina=9453))

Ontstond het Westerse denken voor of na dat de vertalingen uit het Arabisch beschikbaar kwamen?

Aristoteles speelt een sleutelrol in de verbinding tussen de kennis van de Antieke Oudheid en de moderne wetenschap. Terwijl Plato in zijn filosofie niet meer dan idealen aanreikte, ontwierp Aristoteles een manier om de werkelijkheid te bestuderen. Aristoteles wordt vaak genoemd als één van de grootste filosofen van de geschiedenis en de invloed van zijn denken wordt alleen geëvenaard door Plato.
De Stanford Encyclopedia stelt:

Aristotle's influence is difficult to overestimate. (…) [ His works] eventually came to form the backbone of some seven centuries of philosophy, in the form of the commentary tradition, much of it original philosophy carried on in a broadly Aristotelian framework. They also played a very significant, if subordinate role, in the Neoplatonic philosophy of Plotinus and Porphyry. Thereafter, from the sixth through the twelfth centuries, although the bulk of Aristotle's writings were lost to the West, they received extensive consideration in Byzantine Philosophy, and in Arabic Philosophy, where Aristotle was so prominent that be became known simply as The First Teacher. (bron (http://plato.stanford.edu/entries/aristotle/#AriLeg))

En:

Aristotle's logic, especially his theory of the syllogism, has had an unparalleled influence on the history of Western thought. (…) This unique historical position has not always contributed to the understanding of Aristotle's logical works. Kant thought that Aristotle had discovered everything there was to know about logic, … (...) More recent scholarship has often applied the very techniques of mathematical logic to Aristotle's theories, revealing (in the opinion of many) a number of similarities of approach and interest between Aristotle and modern logicians. (bron (http://plato.stanford.edu/entries/aristotle-logic/))

En:

The extent to which Aristotelian thought has become a component of civilization can hardly be overestimated. (Encyclopedia Britannica, 14, 63).

Aristoteles leefde in de vierde eeuw voor Christus toen filosofie eigenlijk de algemene term was voor het denken over de wereld. Aristoteles was negentien jaar in de leer geweest bij Plato, die vooral bekend is geworden vanwege de ideeënleer en zijn politieke opvattingen. Vanwege de ideeënleer geldt Plato als realist (http://en.wikipedia.org/wiki/Platonic_realism), omdat hij de concepten (ideeën) als werkelijk bestaand opvatte. Aristoteles verwierp dit centrale punt van de opvattingen van Plato en sloeg een andere weg in. Hij besloot namelijk om elk onderwerp, zoals fysica, meteorologie, logica, retorica, enzovoort, als een eigen gebied te beschouwen en elk gebied te onderzoeken op zijn eigen kenmerken. Om deze reden wordt Aristoteles gezien als de eerste wetenschapper. De indeling die Aristoteles toepaste, wordt in grote lijnen nog gevolgd. Aristoteles was dus een voorloper van Descartes en Newton in de opvatting dat we de alledaagse werkelijkheid zoals die zich aan ons voordoet, kunnen bestuderen en daarbij al werkend ons begrip ervan kunnen verbeteren (empirisme).

Er is één gebied waarin Aristoteles alle andere denkers heeft overtroffen tot in de huidige tijd en dat is de logica. Al in de oudheid werd het systeem van Aristoteles algemeen gebruikt, met name door de neoplatonici werd het verspreid in het Romeinse Rijk. De werken over logica van Aristoteles worden samengevat met de term Organon. (http://nl.wikipedia.org/wiki/Organon_%28Aristoteles%29)
Aristoteles heeft ongeveer 170 werken geschreven, hetgeen we weten uit de lijst (http://classicpersuasion.org/pw/diogenes/dlaristotle.htm) die Diogenes Laërtius (onder XII) opstelde. Daarvan zijn er 30 bewaard gebleven, die samen ongeveer 2000 pagina’s tekst vormen. Van deze 30 vormen 7 werken het Organon en het zijn deze zeven werken die al tweeduizend jaar de basis van het westerse denken vormen.

Al in de Oudheid werden deze werken als een geheel gezien en gebruikt. Aan de lijst van de oorspronkelijke zes werken van het Organon werd vaak de Metafysika (http://nl.wikipedia.org/wiki/Metafysica) toegevoegd. Dit werk is een soort handboek dat door Andronicus in de eerste eeuw na Christus werd toegevoegd ten behoeve van leerlingen.

Van de werken van het Organon steken er twee boven de andere uit: De Categoriae en Analytica Priora (meestal worden deze Latijnse namen gehanteerd, maar de oorspronkelijke titels waren uiteraard in het Grieks). De Categoriae ontleent zijn belang aan het gegeven dat het al vanaf Augustinus een rol speelde in het denken over de Heilige Drieëenheid en de natuur van Jezus, terwijl in de Analytica Priora het syllogisme wordt uitgewerkt, de redeneervorm die tweeduizend jaar lang de logica zou domineren.
Naast de originele teksten van Aristoteles en Plato waren er commentaren beschikbaar van diverse Latijnse schrijvers, zoals Tertullius, Ambrosius, Cicero en Seneca. (bron (http://plato.stanford.edu/entries/medieval-philosophy/#Ingredients))

Het syllogisme is een stelsel van drie beweringen (premissen) waarmee één bepaald geval wordt vergeleken met een algemene situatie, waarna een conclusie volgt. De opstelling is als volgt: (ook bekend als deductie (http://nl.wikipedia.org/wiki/Deductie))

(1) Alle mensen zijn sterfelijk. (premisse maior)
(2) Piet is een mens. (premisse minor)
(3) Piet is sterfelijk.

Bovendien moet elke premisse een bepaalde vorm hebben, om te vermijden dat er een lege uitspraak ontstaat (“Zonnig weer is mooi”) of een zelfnoemfunctie (“Een zwaar voorwerp is een voorwerp dat veel weegt”). Deze bepaalde vorm legde Aristoteles uit in een formule in het Grieks die vertaald neerkomt op ‘wat het zijn is van het voorwerp’.
Dus in de premisse “Alle mensen zijn sterfelijk” is sterfelijk een aspect van zijn van het voorwerp mens (voorwerp in de zin van voorwerp in de premisse). Het sterfelijk zijn van mensen is een zodanig herkenbare eigenschap van mensen, dat het besproken kan worden als een afgebakende categorie en er uitspraken over gedaan kunnen worden. Omdat Romeinse schrijvers deze formule moeilijk te hanteren vonden, bedachten ze een term voor het gebruik in het Latijn, de essentia. Dit is afgeleid van esse (zijn, bestaan, leven). Het is later een zelfstandig leven gaan leiden: we veronderstellen in het taalgebruik vaak dat dingen of vraagstukken een essentie hebben, maar in wezen is het weinig meer dan een vorm van beeldspraak om de gedachten richting te geven.
Omdat het begrip essentie in dit deel van de logica verwantschap vertoont met het begrip categorie in de categorieënleer van Aristoteles, is de essentie betrokken in de discussie over de eigenschappen noodzakelijk en afhankelijk die later zo een grote rol zouden spelen in het denken van Avicenna en Thomas Aquino.

Het belang van dit punt, de vertaling naar het latijnse essentia, zou later in de islamitische wereld verder ontwikkeld worden door met name Avicenna, maar ook Averroës.

In De Categoriae legt Aristoteles uit welke uitingen een propositie (bewering) vormen, dat wil zeggen een bewering waarvan met zekerheid kan gezegd worden of deze waar of onwaar is. De structuur van een dergelijke bewering moet ten minste bestaan uit een subject en een predicaat. Het predicaat geeft een eigenschap of toestand weer van het subject en Aristoteles onderscheidde tien mogelijke basissoorten van eigenschappen of toestanden, de zogenaamde categorieën (zoals essentie, tijd, plaats, kwantiteit, enz (http://wwwis.win.tue.nl/%7Ewlemmens/filo/Categorieen.html)). Over het precieze aantal categorieën is in de loop der eeuwen verschillend gedacht, maar de structuur heeft algemene ingang gevonden. De eerste hoofdstukken van De Categoriae zijn nog steeds de basis van de moderne logica, terwijl andere beweringen van Aristoteles, zoals op gebied van dynamica en biologie, inmiddels zijn weerlegd.

De Categoriae is vanaf de Romeinse tijd altijd in het Westen beschikbaar geweest, van de Analytica Priora is dat minder zeker.
Er zijn enkele kopieën uit de 9de en 10de eeuw overgeleverd, maar de meeste zijn uit latere eeuwen. Er zijn ongeveer 2000 vertalingen van Aristoteles naar het Latijn geteld [1]. Een exemplaar dat recent op een veiling werd aangeboden (http://www.pbagalleries.com/search/item179944.php), kreeg als startprijs € 60.000.
Als zoveel handschriften de tand des tijds hebben overleefd, lijkt het aannemelijk dat er vele duizenden ten onder zijn gegaan door slijtage, brand en vochtigheid.
De invloed van de originele teksten van Aristoteles is in de Middeleeuwen tamelijk gering geweest. De oorzaak hiervan wordt meteen duidelijk als men deze teksten gaat lezen. Ze zijn vaak moeilijk te begrijpen, zelfs als men het onderwerp vooraf heeft bestudeerd, omdat de zinsbouw zeer beknopt en technisch is. Men vermoedt dan ook dat de teksten eigenlijk samenvattingen zijn, een soort tekstboek bij een opleiding, dat niet bedoeld was om gebruikt te worden zonder mondelinge toelichting.

Dit kernachtige karakter van de werken van Aristoteles maakte dat latere denkers het nodig vonden om de tekst te voorzien van een toelichting. In de Middeleeuwen waren er tenminste drie van dit soort teksten met toelichting in omloop:

Van De Categoriae:

1. De nauwgezette vertaling door Boëthius; (http://en.wikipedia.org/wiki/Anicius_Manlius_Severinus_Boethius#Works)
2. Een ingekorte vertaling van Boëthius, aangevuld met commentaren van een onbekende hand;
3. Een parafrasering van de tekst van Aristoteles, toegeschreven aan Augustinus, maar waarvan de samensteller onbekend is, bekend onder de naam Categoriae Decem. [2]

Daarnaast bestonden er meer besprekingen of bewerkingen van De Categoriae:



De Isagoge (introductie) door Porphyrius, later vertaald door Marius Victorinus (http://en.wikipedia.org/wiki/Gaius_Marius_Victorinus), rond 400;
Idem, maar vertaald door Boëthius (ca. 520), in een korte en een lange versie. [3]
Twee werken van Marinus Victorinus, Adversus Candidum en Adversus Arium,
De Trinitate van Augustinus, dat de categorieënleer gebruikte om theologische kwesties op te lossen.
Boek 4 van De nuptiis Philologiae et Mercurii van Martianus Capella was gewijd aan logica.
Institutiones van Cassiodorus, dat een korte bespreking van de categorieënleer bevat en meer getrouw Aristoteles volgt dan de Categoriae Decem.


Het was vooral de Categoriae Decem die door Alcuin, werkzaam aan het hof van Karel de Grote, werd gebruikt om een soort onderwijssysteem op te zetten in het Frankische Rijk.
Deze teksten waren op een aantal plaatsen beschikbaar, vooral in kloosters. Ze werden gebruikt om te verklaren dat Jezus zowel een goddelijke als een menselijke natuur (ousia (http://en.wikipedia.org/wiki/Ousia)) had. Omdat Aristoteles voor essentie, de enige van de tien categorieën die hij als primair aanmerkt, het woordt ousia gebruikt, nam men in de middeleeuwen zonder meer aan dat hij daarmee hetzelfde bedoelde als de Christelijke Kerk.

Van de opgesomde werken werd vooral de Isagoge (nr 5) veel gebruikt, omdat we weten dat er in de 9de eeuw veel kopieën van werden gemaakt. Het werk werd vaak in samenhang met de Categoriae Decem (3) bestudeerd, omdat dit werk een nadrukkelijk christelijke inslag had [4]. De Trinitate van Augustinus (7) werd gelezen in bijna alle belangrijke centra in de negende eeuw en later [5]. Het werk van Cassiodorus werd zeer algemeen gelezen, maar vooral in de eerste periode van de middeleeuwen [6].
In de 10de eeuw gaat men de beschikbare teksten anders bestuderen. De belangstelling voor de metafysische aspecten wordt minder en die voor de technische aspecten neemt toe. In deze eeuw verschijnen meer exemplaren van het commentaar van Boëthius op De Categoriae [7]

De Categoriae heeft een beslissende invloed gehad op het denken van de Oudheid en de Middeleeuwen omdat dit werk het meest gebruikte middel was om te denken over de relatie tussen god en de wereld en het beschouwen van de werkelijkheid.
Het speelde bovendien een centrale rol in het verwerpen van het platoonse wereldbeeld. Plato had immers gesteld dat de Ideeën bestonden voor de dingen op zich, iets dat door waarneming wordt weerlegd. Het is immers niet mogelijk om de abstracta (universalia) te kennen zonder eerst waarnemingen te doen van individuele zaken (particularia).

Tegen de tijd dat de vertalingen van Boëthius in het Latijnse Westen in circulatie kwamen, was men al gewend aan het gebruik van Griekse filosofie als aanvulling op de christelijke leer. Augustinus en Ambrosius (http://nl.wikipedia.org/wiki/Ambrosius_van_Milaan) hadden hun christelijke opvattingen altijd verdedigd met Griekse kennis. Hierbij werden de idealen van Plato verenigd met de logica van Aristoteles. Op deze wijze ontstond een traditie, die in latere eeuwen tegenstrijdigheden tot gevolg had, omdat in het Latijnse westen niet alle originele teksten beschikbaar waren en de bewerkingen het werk van Aristoteles niet altijd even goed weergaven.

Omdat over de situatie vóór 1100 weinig met zekerheid te zeggen valt, maar des te meer over de periode daarna, omdat toen de vertalingen uit het Grieks en Arabisch op gang kwamen, doen de meeste historici de vroege middeleeuwen af als een periode waarin weinig gebeurde. In werkelijkheid werd in de periode tussen 500 en 1100 een solide basis gelegd voor wat later zou volgen. Uit de beschikbare informatie blijkt dat
- de belangrijkste werken van Aristoteles beschikbaar waren en bestudeerd werden;
- dat meerdere commentaren in omloop waren, die vaker bestudeerd werden dan de originele werken, omdat ze makkelijker te lezen waren
- dat er een traditie bestond om het Griekse denken te gebruiken om de christelijke leer uit te leggen, en dat die traditie na 1100 werd voortgezet
- dat de Griekse en Arabische vertalingen van na 1100 dus geen geheel nieuwe informatie aanleverden, maar werden gebruikt om de inhoud van eerdere teksten te vergelijken met de nieuwe vertalingen.